Kracht en pracht van het platteland

Onder Naobers

Editie:

2017 Lente

In de rubriek Onder Naobers krijgen lezers de gelegenheid terug te kijken op artikelen in vorige Naobers en hun mening daarover te ventileren. Onder Naobers is ook de plek waar lezers hun eigen pennenvruchten kwijt kunnen. Voor zover de ruimte dat toelaat, uiteraard. Let wel: de (eind)redactie wikt, weegt en beschikt! Stuur uw post naar: info@naober.nl (met ao). Een briefje kan natuurlijk ook: Naober, Onder Naobers, postbus 133, 7040AC ’s-Heerenberg.




Laat uw antiek of brocante taxeren!

Kunst & Kitsch in Naober

Wat is die antieke tafel waard? Wat die klok uit 1875 en wat die bloedkoralen ketting die we van oma hebben gekregen? Naober gaat in het komende jubileumnummer van juni voor Kunst & Kitsch spelen. Lezers mogen hun attributen aandragen en Naober laat een expert taxeren wat ze waard zijn.

Daarvoor hoeft u niet met uw kostbaarheden naar een bepaalde plek af te reizen. Wij maken het u gemakkelijk. Zet het attribuut dat u wilt laten taxeren op een voldoende grote foto (minstens 1MB). Stuur die met een korte toelichting en uw naam en adresgegevens plus telefoonnummer naar Naober. Vermeld in de toelichting de geschatte leeftijd van de inzending, hoe u eraan bent gekomen, hoe u het noemt en wat uzelf denkt dat het waard is.



Jubileumnummer

De 20 meest interessante inzendingen laten we taxeren. Daarna maken we een selectie die Naober fraai laat fotograferen en die we vervolgens laten zien in ons juninummer. Uiteraard met de geschatte prijs erbij. Spannend! De juni-uitgave is een speciaal nummer in het kader van het tienjarig bestaan van Naober.

Doe mee! Kosten zijn er niet aan verbonden.



Brief

Tussen de vele brieven, kaarten en (vooral) e-mails die ons dagelijks bereiken, zat deze bijzondere brief van mevrouw Ank Haverkamp uit de Pollen bij Vriezenveen. Ank (83) was een van de hoofdpersonen in de verkiezing van Mien Naober 2016. Dank zij een sterk staaltje burenhulp kan ze, ondanks ernstige reuma, zelfstandig blijven wonen. Haar computer is een belangrijke verbinding met de buitenwereld. Met het nodige doorzettingsvermogen tikte ze onderstaande oorlogsherinnering die zich afspeelt in Noord-Holland.

Toen de oorlog in 1944 in volle gang was, maakten wij in Limmen – want door een NSB-burgemeester uit ons huis in Castricum gezet – akelige dingen mee.

Ik was elf jaar, niet bepaald bang uitgevallen, en liep de hele dag op straat. Je kon immers niet weten wat je hoorde. Zo geschiedde. In de schemering kwam ik een meisje van mijn leeftijd tegen. Zij vertelde me dat ver in het land, richting Castricum, een afgebrande boerderij stond. Van de weeromstuit was de boer zijn melk vergeten. Die stond er dus nog. Of ik mee ging. Ja hoor, ik had in geen weken melk gezien. Zij naar huis, ik naar huis. Ik haalde een twee liter weckfles van zolder, stopte die in een jute tas en was er klaar voor. Bij nader inzien ging het andere meisje toch maar niet mee. “Dan ga ik alleen”, zei ik. Het was nog een heel eind lopen naar die afgebrande boerderij. In een schuurtje stond een knoert van een ijzeren ketel, vol romige melk. Ik snel mijn weckfles vullen, maar toen hoorde ik een paard aankomen. Ik schrok enorm, want ik begreep meteen dat ik fout zat. Het paard werd vastgemaakt aan de zijkant van het schuurtje dat aan één kant open was. Het dier begon enorm te snuiven en op de grond te stampen. Die had mij natuurlijk geroken. Ik dacht: ik kom hier nooit meer weg; die boer verzuipt mij of slaat mij dood. Ik trilde over mijn hele lichaam, maar wat gebeurt er? Die boer maakte zijn paard los en ik hoorde heel langzaam voetstappen het weggetje af gaan. Die boer kon niet zien wie er in het schuurtje stond. Dat kon ook wel een Duitse soldaat zijn. Of een landverrader. Wie weet. Hij nam het zekere voor het onzekere en ik ook. Ik slipte stilletjes het schuurtje uit, probeerde geen melk te morsen en liep aan de andere kant het pad af. Aan de overkant was een knul bezig bieten te rooien. Die had mij graag staande gehouden, maar een sloot hield hem gelukkig op afstand. “Wat moet jij daar?”, schreeuwde hij mij toe. Ik zei dat de weg doodliep, maar dat ik eigenlijk naar Amsterdam moest.

Hij kijken, maar gelukkig bleef hij waar hij was. Zonder slootje was ik met niks thuisgekomen. Mijn moeder vroeg niet waar ik was geweest, maar strooide tarwekorrels in de melk. Van aren die wij op een akker hadden gezocht. Ieder van ons zessen kreeg een flinke schep tarwepap. Drie centimeter dikke room, dus later op de avond om de beurt naar het houten pleetje dat in de boomgaard stond. Ik ben er goed vanaf gekomen, ik ben echter nooit meer die kant uit geweest. Straks wordt 5 mei herdacht en zullen er wel weer verhalen over die rotoorlog worden opgeschreven. Ik wilde het u nu laten weten. Ik heb voor die m…… van toen dagelijks tomaten van school naar school gereden, zonder er ook maar een te pakken. Stelen zat en zit niet in mij. Ik heb thuis ook nooit iets verteld. Nachtmerries heb ik er niet van gehad, maar wat ik ook in mijn verdere leven heb uitgespookt, ik ben nog nooit zo bang geweest als toen. Die boer zat natuurlijk hartstikke fout, maar ik ook. Een totaal verlaten boerderij. Mooi niet!

Ank Haverkamp



Herinneringen

In het midden van de jaren 70 van de vorige eeuw kreeg mevrouw H. J. Breukink-Esselenbroek uit Lochem (toen al in de 80) het verzoek wat ‘oude herinneringen aan het papier toe te vertrouwen’. Dank zij haar kleindochter, Renée Dekker-Haanstra uit Bennekom, kan Naober een beeld schetsen van het leven in een kleine landstad aan het begin van de 20ste eeuw.

Dit schreef mevrouw Breukink over ‘Het uiterlijk van de mensen’………

In het modebeeld zijn de laatste honderd jaar grote veranderingen opgetreden, zowel in schoeisel en kleding als in haardracht.

Het schoeisel voor mannen bestond uit laarzen of zoals men hier zei: stevels. Later werden dat bottines die met veters dicht geregen werden. Ook waren er bottines met elastiek aan de zijkanten. Dat rekte te vaak uit, wat op den duur toch wel erg slordig stond. Veel later kwamen de molières zoals mannen die nu nog dragen. Sandalen zag je niet. Dat was schoeisel voor kloosterbroeders. Rubber werd onder schoenen ook nog niet toegepast. Dat begon later met een ronde gummihak die met een stift in het midden werd vastgemaakt op het leder.

De dames droegen hoge knooplaarzen, zwarte vanzelfsprekend. Die gingen aan de buitenkant met stiftknoopjes dicht, wel tien of twaalf stuks. Later waren er ook halfhoge laarzen te koop (zoals we die nu nog kennen), maar geen gekleurde, alleen maar zwarte.

En dan de haardracht. Welke vrouw of welk meisje zou er rond de eeuwwisseling aan gedacht hebben om het haar af te knippen voor permanent? Wij hadden allemaal lang, opgestoken haar en keken onze ogen uit, toen er een mevrouw bij ons door de straat kwam, die permanent had. Dat vonden we zo gek. Nu, 80 jaar en ouder, zitten we nog bij de kapper. Van kappers gesproken, die kapsalons zijn ook van later tijd.

Voor de heren was er een scheerwinkel. Dat was een kamer in het woonhuis, met banken aan de kanten voor de klanten. Enkele heren van standing lieten de barbier aan huis komen. De gewone man ging ongeveer drie keer per week naar de barbier. De baas of zijn bediende zeepte hem in en vervolgens werd hij met een vlijmscherp aangezet mes van de stoppels ontdaan. Sommigen kwamen er met de handen aan ’t gezicht vandaan. Iets verzachtends was er nog niet.

De haardracht van de mannen was toen kort. In de scheersalon lieten ze zich ook knippen. Daarvóór, nu omstreeks een eeuw geleden, had een enkele man een baard of bakkebaarden.

Ook in de damesmode is veel veranderd, vooral bij de boerenstand. Omstreeks 1880 droegen de boerendochters meestal een zwart jak. Ze droegen drie rokken waarvan de bovenste glimmend zwart was. Het jak viel ongeveer twintig centimeter over de rokband. Figuurnaden had dat kledingstuk niet, want de vrouwelijke vormen mochten niet gezien worden. Trekken en duwen dus tot alles mooi plat zat. Lang haar mocht ook al niet, want dat was lastig met het opzetten van de muts. Elke zondagmorgen moest er gekerkt worden, zeker door vooraanstaande boeren. Mijn moeder en haar twee zusters moesten eerst bij hun moeder komen om te laten controleren of ook om het middel alles goed aangesloten zat. En dan te voet naar de kerk, het enige uitstapje van de week. Met godsdienstige overtuiging had het weinig te maken, des te meer met het contact tussen de jongelui. Bij het uitgaan van de kerk draaide iedereen zich om in de hoop nog eens een glimp van anderen op te vangen.

H. J. Breukink-Esselenbroek

Naschrift redactie: Fotobijschrift: Riek (Hendrika Johanna) Breukink rechts op de foto. Foto: Renée Dekker
Plaats een reactie

Word nu abonnee van Naober!

Klik hier voor de aanbieding

Naober Nieuwsbrief

Ja, ik wil wekelijks Naobernieuws in mijn mailbox!